Bijvoeglijke naamwoorden - gli aggettivi

QUIZZEN: bijvoeglijke naamwoorden Italiaans-Nederlands deel 1 of deel 2 of deel 3
QUIZZEN: bijvoeglijke naamwoorden Nederlands-Italiaans deel 1 of deel 2 of deel 3
Bijvoeglijke naamwoorden (deel 1)
Italiaans Nederlands
nuovo nieuw
vecchio oud
giovane jong
grande groot [algemeen]
grosso groot [omvang]
piccolo klein
buono goed
bravo goed [bekwaam; goed gedrag]
cattivo slecht, ondeugend, gemeen
giusto goed, juist [correct; rechtvaardig]
sbagliato fout, verkeerd
bello mooi, leuk
brutto lelijk, slecht
lungo lang
corto kort [lengte]
breve kort [tijdsduur]
alto hoog
basso laag
profondo diep
largo breed
stretto smal, nauw, strak
spesso dik [als bijwoord: vaak]
sottile dun
grasso vet [ook als zelfst. nw.]
magro mager
pesante zwaar
leggero licht [gewicht]
pieno vol
vuoto leeg
forte sterk, luid
debole zwak
intelligente slim, intelligent
stupido dom
caro lief, dierbaar; duur, kostbaar [nadruk op waarde]
costoso duur, prijzig [nadruk op prijs/kosten]
economico goedkoop
vero waar, echt
falso onwaar, vals, nep
veloce snel
rapido snel
lento langzaam
duro hard, moeilijk
morbido zacht
piano vlak, zacht, langzaam
difficile moeilijk
facile gemakkelijk
pronto klaar, (voor)bereid, spoedig
pulito schoon
sporco vies, vuil, smerig
ricco rijk
povero arm
caldo warm
freddo koud
bagnato nat
secco droog
asciutto droog
aperto open
chiuso dicht, gesloten
vicino dichtbij [als z.nw.: buur(man)]
lontano ver(af)
Bijvoeglijke naamwoorden (deel 2)
Italiaans Nederlands
piatto plat [als z.nw.: bord, schotel, gerecht; cimbaal]
d(i)ritto recht [ook z.nw. en bijw.]
storto krom
uguale gelijk, identiek
diverso verschillend, anders
differente verschillend
simile soortgelijk, vergelijkbaar, dergelijk
dissimile verschillend, ongelijk
finto nep
fasullo nep
artificiale kunstmatig
rotto kapot, gebroken
guasto kapot; (ver)rot, bedorven
ripido steil
scosceso steil
fresco vers, koel, fris
(ig)noto (on)bekend
(s)conosciuto (on)bekend
(im)possibile (on)mogelijk
ultimo laatste
ennesimo zoveelste
prezioso waardevol, kostbaar
utile nuttig, handig
inutile nutteloos, onnodig
valido geldig
pericoloso gevaarlijk
reciproco wederzijds, wederkerig
raro zeldzaam, ongewoon
scarso schaars, gering
impressionante indrukwekkend
semplice simpel, eenvoudig
libero vrij
preciso precies, nauwkeurig
esatto precies, nauwkeurig, exact
normale normaal
generale algemeen [als z.nw.: generaal]
importante belangrijk
interessante interessant
complicato ingewikkeld
noioso vervelend, saai
fastidioso vervelend, lastig, irritant
delizioso heerlijk
famoso beroemd
famigerato berucht
calvo kaal [hoofd]
pelato kaal; gepeld, geschild
ubriaco dronken
carino mooi, knap, charmant, schattig
crudele wreed, gemeen
volgare grof, vulgair
furbo sluw, slim
modesto bescheiden
divertente grappig, vermakelijk, leuk
spiritoso grappig, geestig, gevat
buffo grappig, vreemd, komisch
gentile aardig, vriendelijk
simpatico aardig, sympathiek
antipatico onaangenaam, naar [persoon en situatie]
(s)piacevole (on)aangenaam, (on)prettig
(s)gradevole (on)aangenaam, (on)prettig

Bijvoeglijke naamwoorden (deel 3)
Italiaans Nederlands
intero heel, geheel
luminoso licht(gevend)
ovvio duidelijk, vanzelfsprekend, onmiskenbaar
evidente duidelijk, vanzelfsprekend, onmiskenbaar
affilato scherp, geslepen
tagliente scherp, snijdend
smussato bot, stomp
spuntato bot, stomp
diretto direct, rechtstreeks, gericht
sociale sociaal, maatschappelijk
comune gemeenschappelijk, gezamenlijk; gewoon, veelvoorkomend
pubblico openbaar, publiek [ook als zelfst.nw.]
strano vreemd, eigenaardig
curioso nieuwsgierig; vreemd, eigenaardig
gratuito gratis, kosteloos
gratis gratis, kosteloos [ook bijwoord]
(ro)tondo rond
(in)sincero (on)eerlijk, (on)oprecht
(dis)onesto (on)eerlijk, (on)oprecht
(im)paziente (on)geduldig
scivoloso glad, glibberig
sdrucciolevole glad, glibberig
liscio glad, effen
ampio ruim, omvangrijk, breed
capace ruim, omvangrijk; bewaam, capabel
generoso vrijgevig, gul, royaal
vivo levend, in leven, levendig
morto dood
disordinato slordig, rommelig, wanordelijk
contagioso besmettelijk, aanstekelijk
preferito favoriet
favorito favoriet
affine verwant
disponibile beschikbaar
stesso dezelfde, hetzelfde
straordinario buitengewoon, uitzonderlijk, bijzonder [als z.nw.: overwerk]
eccezionale buitengewoon, uitzonderlijk, bijzonder
particolare bijzonder, speciaal, specifiek [als z.nw.: detail]
speciale bijzonder, speciaal
specifico specifiek
singolo afzonderlijk, enkel [als z.nw.: eenling; single; enkelspel]
separato afzonderlijk, gescheiden [als z.nw.: gescheiden persoon]
unico enig, uniek
doloroso pijnlijk
stupendo prachtig, schitterend, geweldig
meraviglioso prachtig, schitterend, geweldig
volontario vrijwillig [als zn.w.: vrijwilliger]
diffuso verspreid, wijd verbreid
opposto tegenovergesteld
contrario tegenovergesteld
inverso omgekeerd, tegengesteld
colpevole schuldig
innocente onschuldig
innocuo onschuldig, ongevaarlijk, onschadelijk
inoffensivo onschuldig, ongevaarlijk, onschadelijk
offensivo beledigend, kwetsend, aanstootgevend
sciocco dwaas, dom, idioot [ook zelfst.nw.]
saggio wijs, verstandig [als z.nw.: wijze man; essay; proefmonster]
principale voornaamste, belangrijkste, hoofd- [als z.nw.: baas]