Bijvoeglijke naamwoorden - gli aggettivi

QUIZ: bijvoeglijke naamwoorden Italiaans-Nederlands
QUIZ: bijvoeglijke naamwoorden Nederlands-Italiaans
Bijvoeglijke naamwoorden
Italiaans Nederlands
nuovo nieuw
vecchio oud
giovane jong
grande groot [algemeen]
grosso groot [omvang]
piccolo klein
buono goed
bravo goed
cattivo slecht
giusto goed (correct)
sbagliato fout (incorrect)
bello mooi, leuk
brutto lelijk
lungo lang
corto kort [lengte]
breve kort ([tijdsduur]
alto hoog
basso laag
profondo diep
largo breed
stretto smal
spesso dik [als bijwoord: vaak]
sottile dun
grasso vet [ook als zelfst. nw.]
magro mager
pesante zwaar
leggero licht [gewicht]
pieno vol
vuoto leeg
forte sterk, luid
debole zwak
intelligente slim, intelligent
stupido dom
caro lief, dierbaar; duur, kostbaar [nadruk op waarde]
costoso duur, prijzig [nadruk op prijs/kosten]
economico goedkoop
vero waar, echt
falso onwaar, vals, nep
veloce snel
rapido snel
lento langzaam
duro hard, moeilijk
morbido zacht
piano vlak, zacht, langzaam
difficile moeilijk
facile gemakkelijk
pronto klaar, (voor)bereid, spoedig
pulito schoon
sporco vies, vuil, smerig
ricco rijk
povero arm
caldo warm
freddo koud
bagnato nat
secco droog
asciutto droog

Verbuiging bijvoeglijk naamwoord
lidwoord enkelvoud meervoud
mannelijk -o / -e -i / -i
vrouwelijk -a / -e -e / -i



Plaatsing t.o.v. zelfstandig naamwoord

Het bijvoeglijk naamwoord wordt soms voor en soms na het zelfstandig naamwoord geplaatst:
  • er zijn woorden die gewoonlijk ervoor worden geplaatst
  • er zijn woorden die gewoonlijk erachter worden geplaatst
  • er zijn woorden die ervoor of erachter kunnen worden geplaatst waarbij er verschil in betekenis optreedt
  • er zijn woorden die ervoor of erachter kunnen worden geplaatst waarbij er geen of nauwelijks verschil in betekenis optreedt

  • Plaatsing ervoor:
    Plaatsing erachter, onder andere:
    Plaatsing ervoor of erachter met duidelijk verschil in betekenis, bijvoorbeeld: