Het weer


Weerbericht Palermo

QUIZ: oefen de woorden aangaande het weer Italiaans-Nederlands
QUIZ: oefen de woorden aangaande het weer Nederlands-Italiaans
Het weer
Italiaans Nederlands
tempo weer [ook: tijd]
clima (m) klimaat
bollettino meteo(rologico) weerbericht
previsioni del tempo (f-pl) weersverwachting
temperatura temperatuur
calore (m) warmte, hitte
caldo warmte, hitte
freddo kou
fresco koelte
gelo vorst, vrieskou
disgelo dooi
umidità luchtvochtigheid
siccità droogte
precipitazione (f) neerslag
nuvola wolk
nube (f) wolk
acquazzone (m) stortbui, wolkbreuk
pioggia regen
pioviggine (f) motregen
neve (f) sneeuw
grandine (f) hagel
nebbia mist
foschia nevel
ghiaccio ijs
vento wind
colpo di vento windstoot
raffica di vento windstoot
brezza bries
venticello bries
tempesta storm
temporale (m) onweer
fulmine (m) bliksem(flits)
lampo bliksemflits
tuono donder
maltempo slecht weer, noodweer
arcobaleno regenboog




QUIZ: oefen de zinnen aangaande het weer Italiaans-Nederlands
QUIZ: oefen de zinnen aangaande het weer Nederlands-Italiaans
Zinnen over het weer
Italiaans Nederlands
Che tempo fa (da te)? Hoe is het weer (bij jou)?
Com'è il tempo (da te)? Hoe is het weer (bij jou)?
Quanti gradi ci sono? Hoeveel graden is het?
Fa bel tempo. Het is mooi weer.
È una bella giornata. Het is een mooie dag.
Fa brutto/cattivo tempo. Het is slecht weer.
Fa maltempo. Het is slecht weer.
Il tempo è variabile. Het weer is wisselvallig.
Il tempo è instabile. Het weer is instabiel.
Fa (molto) caldo/freddo/fresco. Het is (erg) warm / koud / koel.
Fa caldissimo. Het is erg warm.
È afoso. Het is drukkend warm.
Fa freddissimo. Het is erg koud.
Fa un freddo gelido. Het is ijzig / ijskoud.
C'è (il) sole. De zon schijnt.
È soleggiato. Het is zonnig.
È sereno. Het is helder (weer).
È nuvoloso. Het is bewolkt.
C'è (il) vento. Het waait.
Tira (il) vento. Het waait.
È ventoso. Het is winderig.
Piove. Het regent.
Sta piovendo. Het is aan het regenen.
È piovoso. Het is regenachtig.
Nevica. Het sneeuwt.
Sta nevicando. Het is aan het sneeuwen.
Grandina. Het hagelt.
Sta grandinando. Het is aan het hagelen.
C'è (la) nebbia. Het is mistig.
È nebbioso. Het is mistig.
Si (con)gela. Het vriest.
C'è il/un temporale. Het onweert.
C'è la/una tempesta. Het stormt.
È tempestoso. Het is stormachtig.
È burrascoso. Het is stormachtig.
L'umidità è alta / bassa. De luchtvochtigheid is hoog/laag.
C'è (l')umidità. Het is vochtig.
È umido. Het is vochtig.
Ho caldo. Ik heb het warm.
Ho freddo. Ik heb het koud.
Sudo. Ik zweet.