Kleur

QUIZ: woorden aangaande kleur Italiaans-Nederlands
QUIZ: woorden aangaande kleur Nederlands-Italiaans
Kleur
Italiaans Nederlands
colore (m) kleur
luce (f) het licht
bianco wit, blank
nero zwart
rosso rood
blu blauw
azzurro lichtblauw
verde groen
giallo geel
arancione oranje
viola, lilla, porpora violet, lila, paars
rosa roze
marrone bruin
grigio grijs
scuro donker
chiaro licht [tint], helder
biondo blond
pallido bleek
colore della pelle (m) huidskleur
trasparente doorzichtig
opaco ondoorzichtig
oro goud
argento zilver
bronzo brons

Voorbeelden

L'edificio nero. Gli edifici neri. L'edificio verde. Gli edifici verdi.
La casa bianca. Le case bianche. La casa verde. Le case verdi.
La chiesa grigio scuro. Le chiesa grigio scuro.