Werkwoordenlijst - elenco di verbi

QUIZZEN: werkwoorden Italiaans-Nederlands deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4 of deel 5 of deel 6 of wederkerend
QUIZZEN: werkwoorden Nederlands-Italiaans deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4 of deel 5 of deel 6 of wederkerend
* = werkwoord met onregelmatigheid in de onvoltooid tegenwoordige tijd
+ = werkwoord met een onregelmatig voltooid deelwoord
# = werkwoord met tussenvoegsel -isc-

Italiaanse werkwoorden
Italiaans Nederlands
essere *+ zijn
avere * hebben
potere * mogen, (zouden) kunnen
sapere * weten, kunnen (in staat zijn)
dovere * moeten
volere * willen
venire *+ komen
tenere * houden
stare * (ver)blijven, zich bevinden, zijn
dare * geven
andare * gaan
fare *+ doen, maken
dire *+ zeggen
bere *+ drinken
piacere * lekker/leuk vinden, bevallen
divenire *+ worden
diventare worden
aprire + openen
baciare kussen
ballare dansen
cercare zoeken
comprare kopen
credere geloven
desiderare wensen, verlangen
giocare spelen
lavorare werken (arbeid verrichten)
pagare betalen
parlare praten, spreken
rispondere + antwoorden
salutare groeten
sentire voelen, horen, ruiken
viaggiare reizen
vivere + leven, wonen
capire # begrijpen
finire # (be)eindigen
preferire # de voorkeur geven aan
pulire # schoonmaken
agire # handelen, zich gedragen
amare houden van
sedere * zitten
volare vliegen
tacere * zwijgen
cantare zingen
vendere verkopen
vincere + winnen
perdere + verliezen
saltare springen
mangiare eten
pensare denken
aiutare helpen
chiedere + vragen [om te krijgen]
domandare vragen [om te weten]
restare blijven
rimanere *+ blijven
prendere + nemen
portare brengen, dragen
trovare vinden
morire *+ sterven
ridere + lachen
piangere + huilen
dormire slapen
stare in piedi * (rechtop) staan
ricevere ontvangen
ottenere * (ver)krijgen
conoscere kennen, leren kennen
costare kosten
sperare hopen
odiare haten
scrivere + schrijven
leggere + lezen
chiamare roepen, noemen
guardare kijken
ascoltare luisteren
camminare lopen
crescere groeien
muovere + bewegen
cadere vallen
giacere * liggen
osare durven
visitare bezoeken
lasciare laten, verlaten
imparare leren
significare betekenen
arrivare aankomen
partire vertrekken
aspettare wachten (op)
attendere + wachten (op)
passeggiare wandelen
andare in bicicletta* fietsen
pedalare trappen, fietsen
guidare leiden, rijden
condurre *+ leiden, (be)sturen
navigare varen [ook: surfen op internet]
cavalcare paardrijden
nuotare zwemmen
iniziare beginnen
cominciare beginnen
smettere + stoppen, ophouden
fermare (doen) stoppen, aanhouden
continuare doorgaan
succedere + gebeuren
sembrare lijken
parere *+ lijken
mancare missen, ontbreken
provare proberen
alzare omhoog brengen
divertire vermaken
lavare wassen
fare la doccia *+ douchen
fare il bagno *+ baden
vestire (aan)kleden
spogliare uitkleden
sognare dromen
svegliare wakker maken, wekken
vedere + zien
udire * horen
toccare aanraken
incontrare ontmoeten, tegenkomen
raccontare vertellen
narrare vertellen
contare tellen, rekenen
tradurre *+ vertalen
studiare studerentu
riuscire * erin (kunnen) slagen
abitare wonen, verblijven
occupare bezetten, innemen
esistere + bestaan
notare opmerken
gridare schreeuwen, gillen
urlare schreeuwen, gillen
cucinare koken, eten klaarmaken
abbandonare achterlaten, opgeven
entrare binnengaan
comprendere + begrijpen, bevatten
seguire volgen
apparire *+ verschijnen
comparire *+ verschijnen
scomparire *+ verdwijnen
sparire # verdwijnen
svanire # verdwijnen
riconoscere (h)erkennen
ricordare onthouden, herinneren
dimenticare vergeten
scordare vergeten
salvare redden
liberare bevrijden
scappare vluchten, er vandoor gaan
fuggire vluchten, er vandoor gaan
sfuggire ontsnappen, ontkomen
chiudere + sluiten
inviare sturen, zenden
mandare sturen, zenden
uscire * uitgaan
scegliere *+ kiezen
cambiare veranderen
annusare ruiken aan
odorare geuren, ruiken naar
puzzare stinken
cenare dineren
scherzare een grapje maken
girare draaien
suonare klinken, bespelen [v.e. instrument]
rendere + maken, teruggeven
(ri)tornare terugkeren
mantenere * in stand houden
litigare twisten
(di)staccare loskoppelen
durare (voort)duren
trattare behandelen, onderhandelen
escludere + uitsluiten
resistere + weerstaan, doorstaan
indossare aantrekken, dragen [kleding/sieraad]
ammirare bewonderen
convenire *+ het eens zijn, overeenkomen
nascondere + verbergen
offrire + aanbieden
adorare aanbidden, houden van
imitare nadoen
analizzare analyseren
sciogliere *+ oplossen [chemisch], smelten, losmaken
risolvere + oplossen [figuurlijk]
trasmettere + doorgeven, overbrengen, uitzenden
registrare opnemen, registreren
riunire # herenigen
collaborare samenwerken
funzionare werken, functioneren
descrivere + beschrijven
organizzare regelen, organiseren
definire # bepalen, definiƫren
promettere + beloven
distruggere + vernietigen
rompere + breken
spezzare breken
mettere + plaatsen, zetten, leggen
porre *+ plaatsen, zetten, [vraag] stellen
posare neerleggen, neerzetten, poseren
godere genieten
rimpiangere + spijt hebben, betreuren
contribuire # bijdragen
detestare verafschuwen
ricambiare teruggeven, beantwoorden [wederk. reactie]
spegnere *+ uitdoen, uitschakelen
aumentare verhogen, vermeerderen, (doen) toenemen
abbassare verlagen, laten zakken
diminuire # verlagen, verminderen, afnemen
ridurre *+ verminderen
tremare trillen, beven, schudden
palpitare kloppen, bonzen [hart]
salire * omhoog gaan, stijgen, op-/instappen
montare bestijgen, monteren
scalare (be)klimmen
(di)scendere + naar beneden gaan, afdalen, af-/uitstappen
spuntare afvinken, spruiten
impegnare vastleggen, verpanden
permettere + toestaan
vietare verbieden
proibire # verbieden
fumare roken
spiegare uitleggen
ringraziare bedanken
bloccare blokkeren
scambiare ruilen, verwisselen
(di)mostrare laten zien, tonen
russare snurken
sopravvivere + overleven
valere *+ waard zijn, gelden
dubitare twijfelen
esitare aarzelen
temere vrezen, bang zijn (voor)
esagerare overdrijven
servire dienen, bedienen, baten
riparare repareren
proteggere + beschermen
scusare vergeven, verontschuldigen
perdonare vergeven, verontschuldigen
buttare (weg)gooien
gettare (weg)gooien
catturare vangen [maar bal vangen: prendere la palla]
esigere + eisen
supporre *+ veronderstellen
presumere + veronderstellen
battere slaan, verslaan
colpire # slaan, raken
picchiare slaan, in elkaar slaan
tirare trekken
spingere + duwen, schuiven
premere drukken
abbracciare omarmen, omhelzen
coccolare knuffelen
usare gebruiken
utilizzare gebruiken, benutten
applicare toepassen
bisognare nodig zijn [enkel vervoeg. 3e pers. ev.]
separare scheiden
divorziare echtscheiden
guarire # genezen [actief en passief]
curare verzorgen, behandelen
leccare likken
mentire liegen
confessare bekennen, toegeven
ammettere + bekennen, toegeven
negare ontkennen
ignorare negeren
praticare beoefenen, uitoefenen
esercitare trainen, (uit)oefenen
allenare trainen, oefenen, coachen
condividere + delen
dividere + verdelen
rubare stelen
possedere * bezitten
gestire # beheren
prestare (uit-/ver)lenen
affittare (ver)huren [onroerende zaken]
noleggiare (ver)huren
sparare schieten
decidere + beslissen, besluiten
obbedire # gehoorzamen
ubbidire # gehoorzamen
bruciare (ver)branden
lottare vechten, strijden
combattere bevechten, bestrijden
sconfiggere + verslaan, overwinnen
superare overtreffen, overschrijden, overwinnen, slagen [examen]
scoprire + ontdekken
rivelare onthullen
meritare verdienen [recht hebben op, waard zijn]
guadagnare verdienen [bekomen, verkrijgen]
interessare interesseren
sorridere + glimlachen
donare schenken, geven
rimuovere + verwijderen
eliminare verwijderen, uitschakelen, elimineren
togliere *+ verwijderen, weghalen, uitnemen
controllare controleren
correre + rennen
tagliare knippen, snijden, snoeien, afhakken
incollare plakken, lijmen
attaccare vastmaken, aanvallen
aggredire (gewelddadig) aanvallen
assalire (gewelddadig) aanvallen
assaltare (gewelddadig) aanvallen
difendere + verdedigen
falciare maaien
accendere + aansteken, ontsteken, (apparaat/licht) aandoen
avvertire waarschuwen, inlichten
avvisare waarschuwen, inlichten
ripetere herhalen
comporre *+ samenstellen, componeren
risparmiare (be)sparen
sviluppare ontwikkelen
contattare contact opnemen met
spendere (soldi) + (geld) uitgeven
indovinare raden
(as)somigliare lijken op
pungere + steken, prikken
evitare vermijden
levare optillen, verheffen, weghalen
accadere gebeuren, voorvallen
capitare gebeuren, overkomen
avvenire + gebeuren, plaatsvinden
dispiacere + betreuren, erg vinden [ook: ongenoegen]
confrontare vergelijken
comparare vergelijken
paragonare vergelijken
programmare programmeren, plannen
improvvisare improviseren
pranzare lunchen
bastare genoeg zijn, volstaan
memorizzare in het geheugen opslaan [mens, computer]
conservare behouden, bewaren [o.a. voedsel]
preservare behouden, handhaven
omettere + weglaten, verzwijgen, verzuimen
aggiungere + toevoegen
scavare graven
seppellire # begraven
confondere + verwarren, in verwarring brengen
pesare wegen, afwegen
immaginare zich inbeelden, zich voorstellen
aggiustare repareren, bijstellen
uccidere + doden, vermoorden
ammazzare doden, vermoorden
assassinare doden, vermoorden
ferire verwonden, kwetsen
confermare bevestigen
esprimere + uitdrukken, uiten
disturbare (ver)storen
occultare verbergen, wegstoppen
ordinare ordenen; bestellen; bevelen
raccomandare aanbevelen, aanraden
consigliare adviseren
richiedere + verzoeken; vereisen
trasferire overplaatsen, overbrengen
traslocare verhuizen [nieuwe woning betrekken]
spostare verplaatsen, verzetten
modificare wijzigen, aanpassen
lanciare lanceren, (gericht) gooien

Italiaanse wederkerende ww.
Italiaans Nederlands
sentirsi zich voelen
sedersi * gaan zitten
chiamarsi heten
aspettarsi verwachten
attendersi + verwachten [meer formeel]
alzarsi opstaan
divertirsi zich vermaken
innamorarsi verliefd worden
farsi male *+ zich pijn doen
lavarsi zich wassen
farsi una doccia *+ zich douchen
bagnarsi nat worden, (zich) baden
farsi un bagno *+ zich baden, een bad nemen
vestirsi zich (aan)kleden
spogliarsi zich uitkleden
addormentarsi in slaap vallen
svegliarsi wakker worden
arrabbiarsi boos worden
laurearsi afstuderen, diploma behalen
preoccuparsi zich zorgen maken, piekeren
sbagliarsi zich vergissen
incontrarsi (elkaar) ontmoeten
sposarsi trouwen
riposarsi (uit)rusten