Werkwoordenlijst - elenco di verbi

QUIZZEN: werkwoorden Italiaans-Nederlands deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4 of deel 5 of deel 6 of deel 7 of deel 8 of deel 9 of deel 10 of wederkerend
QUIZZEN: werkwoorden Nederlands-Italiaans deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4 of deel 5 of deel 6 of deel 7 of deel 8 of deel 9 of deel 10 of wederkerend
* = werkwoord met onregelmatigheid in de onvoltooid tegenwoordige tijd
+ = werkwoord met een onregelmatig voltooid deelwoord
# = werkwoord met tussenvoegsel -isc-
+(-) = werkwoord heeft geen voltooid deelwoord
E = ere-werkwoord met klemtoon op voorlaatste lettergreep van infinitief
<- = are-werkwoord met klemtoon op twee-na-laatste lettergreep van enkelvoudsvormen

Italiaanse werkwoorden (deel 1)
Italiaans Nederlands
essere *+ zijn
avere *E hebben
potere *E mogen, (zouden) kunnen
sapere *E weten, kunnen [in staat zijn]
dovere *E moeten
volere *E willen
venire *+ komen
tenere *E houden
stare * (ver)blijven, zich bevinden, zijn
dare * geven
andare * gaan
fare *+ doen, maken
dire *+ zeggen
bere *+ drinken
piacere *E lekker/leuk vinden, bevallen
divenire *+ worden
diventare worden
aprire + openen
baciare kussen
ballare dansen
cercare zoeken
comprare kopen
credere geloven
desiderare <- wensen, verlangen
giocare spelen
lavorare werken [arbeid verrichten]
pagare betalen
parlare praten, spreken
rispondere + antwoorden
salutare groeten
sentire voelen, horen, ruiken
viaggiare reizen
vivere + leven, wonen
capire # begrijpen
finire # (be)eindigen
preferire # de voorkeur geven aan
pulire # schoonmaken
agire # handelen, zich gedragen
amare houden van
sedere *E zitten
volare vliegen
tacere *E zwijgen
cantare zingen
vendere verkopen
vincere + winnen
perdere + verliezen
saltare springen
mangiare eten
pensare denken
aiutare helpen
chiedere + vragen [om te krijgen]
domandare vragen [om te weten]
restare blijven
rimanere *+E blijven
prendere + nemen
portare brengen, dragen
trovare vinden
morire *+ sterven
ridere + lachen
piangere + huilen
dormire slapen

Italiaanse werkwoorden (deel 2)
Italiaans Nederlands
stare in piedi * (rechtop) staan
ricevere ontvangen
ottenere *E (ver)krijgen
conoscere kennen, leren kennen
costare kosten
sperare hopen
odiare haten
scrivere + schrijven
leggere + lezen
chiamare roepen, noemen
guardare kijken
ascoltare luisteren
camminare lopen
crescere groeien
muovere + bewegen
cadere E vallen
giacere *E liggen
osare durven
visitare <- bezoeken
lasciare laten, verlaten
imparare leren
significare <- betekenen
arrivare aankomen
partire vertrekken
aspettare wachten (op)
attendere + wachten (op)
passeggiare wandelen
andare in bicicletta* fietsen
pedalare trappen, fietsen
guidare leiden, rijden
condurre *+ leiden, (be)sturen
navigare <- varen [ook: surfen op internet]
cavalcare paardrijden
nuotare zwemmen
iniziare beginnen
cominciare beginnen
smettere + stoppen, ophouden
fermare (doen) stoppen, aanhouden
continuare doorgaan
succedere + gebeuren [ook: opvolgen]
sembrare lijken
parere *+E lijken
mancare missen, ontbreken
provare proberen
alzare omhoog brengen
divertire vermaken
lavare wassen
fare la doccia *+ douchen
fare il bagno *+ baden
vestire (aan)kleden
spogliare uitkleden
sognare dromen
svegliare wakker maken, wekken

Italiaanse werkwoorden (deel 3)
Italiaans Nederlands
vedere +E zien
udire * horen
toccare aanraken
incontrare ontmoeten, tegenkomen
raccontare vertellen
narrare vertellen
contare tellen, rekenen
tradurre *+ vertalen
studiare studeren
riuscire * erin (kunnen) slagen
abitare <- wonen, verblijven
occupare <- bezetten, innemen
esistere + bestaan
notare opmerken
gridare schreeuwen, gillen
urlare schreeuwen, gillen
cucinare koken, eten klaarmaken
abbandonare achterlaten, opgeven
entrare binnengaan
comprendere + begrijpen, bevatten
seguire volgen
apparire *+ verschijnen
comparire *+ verschijnen
scomparire *+ verdwijnen
sparire # verdwijnen
svanire # verdwijnen
riconoscere (h)erkennen
ricordare onthouden, herinneren
dimenticare <- vergeten
scordare vergeten
salvare redden
liberare <- bevrijden
scappare vluchten, er vandoor gaan
fuggire vluchten, er vandoor gaan
sfuggire ontsnappen, ontkomen
chiudere + sluiten
inviare sturen, zenden
mandare sturen, zenden
uscire * uitgaan
scegliere *+ kiezen
cambiare veranderen
annusare ruiken (aan)
odorare geuren, ruiken (naar)
puzzare stinken
cenare dineren
scherzare een grapje maken
girare draaien
suonare klinken, bespelen [v.e. instrument]
rendere + maken, teruggeven
(ri)tornare terugkeren
mantenere *E in stand houden
litigare <- ruzie maken, twisten
(di)staccare loskoppelen
durare (voort)duren
trattare behandelen, onderhandelen
escludere + uitsluiten
resistere + weerstaan, doorstaan
indossare aantrekken, dragen [kleding/sieraad]
ammirare bewonderen

Italiaanse werkwoorden (deel 4)
Italiaans Nederlands
convenire *+ het eens zijn, overeenkomen [3e pers. vaak: 'gunstig zijn']
nascondere + verbergen
offrire + aanbieden
adorare aanbidden, houden van
imitare <- nadoen
analizzare analyseren
sciogliere *+ oplossen [chemisch], smelten, losmaken
risolvere + oplossen [figuurlijk]
trasmettere + doorgeven, overbrengen, uitzenden
registrare opnemen, registreren
riunire # herenigen
collaborare <- samenwerken
funzionare werken, functioneren
descrivere + beschrijven
organizzare regelen, organiseren
definire # bepalen, definiëren
promettere + beloven
distruggere + vernietigen
rompere + breken
spezzare breken
mettere + plaatsen, zetten, leggen
porre *+ plaatsen, zetten, [vraag] stellen
posare neerleggen, neerzetten, poseren
godere E genieten
rimpiangere + spijt hebben, betreuren
contribuire # bijdragen
detestare verafschuwen
ricambiare teruggeven, beantwoorden [wederk. reactie]
spegnere *+ uitdoen, uitschakelen
aumentare verhogen, vermeerderen, (doen) toenemen
abbassare verlagen, laten zakken
diminuire # verlagen, verminderen, afnemen
ridurre *+ verminderen
tremare trillen, beven, schudden
palpitare <- kloppen, bonzen [hart]
salire * omhoog gaan, stijgen, op-/instappen
montare bestijgen, monteren
scalare (be)klimmen
(di)scendere + naar beneden gaan, afdalen, af-/uitstappen
spuntare afvinken, spruiten
impegnare vastleggen, verpanden
permettere + toestaan
vietare verbieden
proibire # verbieden
fumare roken
spiegare uitleggen
ringraziare bedanken
bloccare blokkeren
scambiare ruilen, verwisselen
(di)mostrare laten zien, tonen
russare snurken
sopravvivere + overleven
valere *+E waard zijn, gelden
dubitare <- twijfelen
esitare aarzelen
temere E vrezen, bang zijn (voor)
esagerare <- overdrijven
servire dienen, bedienen, baten

Italiaanse werkwoorden (deel 5)
Italiaans Nederlands
riparare repareren
proteggere + beschermen
scusare vergeven, verontschuldigen
perdonare vergeven, verontschuldigen
buttare (weg)gooien
gettare (weg)gooien
catturare vangen [maar bal vangen: prendere la palla]
esigere + eisen
supporre *+ veronderstellen
presumere + veronderstellen
battere slaan, verslaan
colpire # slaan, raken
picchiare slaan, in elkaar slaan
tirare trekken
spingere + duwen, schuiven
premere drukken
abbracciare omarmen, omhelzen
coccolare <- knuffelen
usare gebruiken
utilizzare gebruiken, benutten
applicare <- toepassen
bisognare nodig zijn [enkel vervoeg. 3e pers. ev.]
separare scheiden
divorziare echtscheiden
guarire # genezen [actief en passief]
curare verzorgen, behandelen
leccare likken
mentire liegen
confessare bekennen, toegeven
ammettere + bekennen, toegeven
negare ontkennen
ignorare negeren
praticare <- beoefenen, uitoefenen
esercitare <- trainen, (uit)oefenen
allenare trainen, oefenen, coachen
condividere + delen
dividere + verdelen
rubare stelen
possedere * bezitten
gestire # beheren, omgaan met
prestare (uit-/ver)lenen
affittare (ver)huren [onroerende zaken]
noleggiare (ver)huren
sparare schieten
decidere + beslissen, besluiten
obbedire # gehoorzamen
ubbidire # gehoorzamen
bruciare (ver)branden
lottare vechten, strijden
combattere bevechten, bestrijden
sconfiggere + verslaan, overwinnen
superare <- overtreffen, overschrijden, overwinnen, slagen [examen]
scoprire + ontdekken
rivelare onthullen
meritare <- verdienen [recht hebben op, waard zijn]
guadagnare verdienen [bekomen, verkrijgen]
interessare interesseren
sorridere + glimlachen
donare schenken, geven
rimuovere + verwijderen
eliminare <- verwijderen, uitschakelen, elimineren
togliere *+ verwijderen, weghalen, uitnemen
controllare controleren

Italiaanse werkwoorden (deel 6)
Italiaans Nederlands
correre + rennen
tagliare knippen, snijden, snoeien, afhakken
incollare plakken, lijmen
attaccare vastmaken, aanvallen
aggredire # (gewelddadig) aanvallen
assalire * (gewelddadig) aanvallen
assaltare (gewelddadig) aanvallen
difendere + verdedigen
falciare maaien
accendere + aansteken, ontsteken, (apparaat/licht) aandoen
avvertire waarschuwen, inlichten
avvisare waarschuwen, inlichten
ripetere herhalen
comporre *+ samenstellen, componeren
risparmiare (be)sparen
sviluppare ontwikkelen
contattare contact opnemen met
spendere (soldi) + (geld) uitgeven
indovinare raden
(as)somigliare lijken op
pungere + steken, prikken
evitare <- vermijden
levare optillen, verheffen, weghalen
accadere E gebeuren, voorvallen
capitare <- gebeuren, overkomen
avvenire *+ gebeuren, plaatsvinden
dispiacere +E betreuren, erg vinden [ook: ongenoegen]
confrontare vergelijken
comparare vergelijken
paragonare vergelijken
programmare programmeren, plannen
improvvisare improviseren
pranzare lunchen
bastare genoeg zijn, volstaan
memorizzare in het geheugen opslaan [mens, computer]
conservare behouden, bewaren [o.a. voedsel]
preservare behouden, handhaven
omettere + weglaten, verzwijgen, verzuimen
aggiungere + toevoegen
scavare graven
seppellire # begraven
confondere + verwarren, in verwarring brengen
pesare wegen, afwegen
immaginare <- zich inbeelden, zich voorstellen
aggiustare repareren, bijstellen
uccidere + doden, vermoorden
ammazzare doden, vermoorden
assassinare doden, vermoorden
ferire # verwonden, kwetsen
confermare bevestigen
esprimere + uitdrukken, uiten
disturbare (ver)storen
occultare verbergen, wegstoppen
ordinare <- ordenen; bestellen; bevelen
raccomandare aanbevelen, aanraden
consigliare adviseren
richiedere + verzoeken; vereisen
trasferire # overplaatsen, overbrengen
traslocare verhuizen [nieuwe woning betrekken]
spostare verplaatsen, verzetten
modificare <- wijzigen, aanpassen
lanciare lanceren, (gericht) gooien

Italiaanse werkwoorden (deel 7)
Italiaans Nederlands
piegare (ver)buigen, vouwen
scivolare <- (uit)glijden
respirare ademen, ademhalen
inspirare inademen
inalare inademen, inhaleren
espirare uitademen
esalare uitademen, exhaleren
protestare protesteren
trasformare transformeren
abbaiare blaffen
mordere + bijten
consultare raadplegen
discutere + bespreken, discussiëren
affermare verklaren, beweren, bevestigen
dichiarare verklaren, verkondigen
asserire # beweren, betogen
succhiare zuigen
soffiare blazen [ook, informeel: ontfutselen]
concludere + concluderen, afsluiten, voltooien
determinare <- bepalen, vaststellen
destinare bestemmen, toewijzen
stabilire # vaststellen, vastleggen, vestigen
pescare vissen, hengelen
rifiutare weigeren, afwijzen, verwerpen
respingere + afwijzen, verwerpen
correggere + corrigeren
rettificare <- rechtzetten, corrigeren, rectificeren
affrontare confronteren, aanpakken, trotseren
sostituire # vervangen
giudicare <- (be)oordelen
condannare veroordelen
valutare beoordelen [waarde], evalueren, waarderen
stimare (in)schatten, taxeren, waarderen
apprezzare waarderen, op prijs stellen
accudire # verzorgen
intendere + van plan zijn; bedoelen; begrijpen
tentare proberen; verleiden
sedurre *+ verleiden
riassumere + samenvatten; hervatten, opnieuw inhuren
unire # verenigen, samenvoegen
prevenire *+ voorkomen
impedire # verhinderen
rotolare <- rollen
scorrere + stromen, vloeien, (ver-/door-)lopen
fluire # stromen, vloeien
insegnare (aan)leren, onderwijzen, lesgeven
offendere + beledigen
insultare beledigen
ingiuriare beledigen, uitschelden
imprecare schelden, vloeken
bestemmiare vloeken [godslastering]
produrre *+ produceren
soffrire + lijden
punire # (be)straffen
costruire # bouwen
istituire # stichten, oprichten, instellen
demolire # slopen, afbreken

Italiaanse werkwoorden (deel 8)
Italiaans Nederlands
accettare accepteren
distrarre *+ [iemand] afleiden
distogliere *+ afleiden, afbrengen van
sviare afleiden, afhouden, op een zijspoor brengen
dedurre *+ afleiden, deduceren, aftrekken
derivare afleiden, ontlenen, voortvloeien (uit)
concentrare concentreren
amministrare leiden, beheren
dirigere + leiden, richten, dirigeren, regisseren
sospirare zuchten
gemere kreunen
ingoiare (door)slikken [ook figuurlijk]
inghiottire # (door)slikken, opslokken
deglutire # (door)slikken
soffocare <- (ver)stikken
competere +(-) concurreren, wedijveren
pronunciare uitspreken
causare veroorzaken
esaminare <- onderzoeken
investigare <- onderzoeken
indagare onderzoeken
consolare troosten
confortare troosten
comunicare <- communiceren
ingannare bedriegen, misleiden
imbrogliare oplichten
truffare oplichten
fallire # mislukken, falen
compiangere + medelijden hebben met
sfidare uitdagen
sostenere *E (onder)steunen
supportare (onder)steunen
appoggiare (onder)steunen; neerzetten
sacrificare <- (op)offeren
immolare offeren [heidendom]
sorprendere + verrassen
obbligare <- verplichten
imporre *+ opleggen, afdwingen
forzare (af)dwingen, forceren
costringere + (af)dwingen
realizzare realiseren, tot stand brengen; beseffen
raggiungere + bereiken
proporre *+ voorstellen, een voorstel doen
suggerire # suggereren, voorstellen
adattare aanpassen
adeguare aanpassen, afstemmen op
distinguere + onderscheiden
discernere +(-) onderscheiden
differire # verschillen; uitstellen
telefonare <- telefoneren, bellen
licenziare ontslaan [soms: licentie verlenen]
osservare observeren
percepire # bemerken, waarnemen [ook: som geld ontvangen]
sistemare afhandelen, regelen, in orde brengen
minacciare (be)dreigen
invitare uitnodigen
creare scheppen, creëren

Italiaanse werkwoorden (deel 9)
Italiaans Nederlands
rinunciare (a) opgeven, afzien van
individuare <- lokaliseren, detecteren, identificeren
identificare <- identificeren
firmare (onder)tekenen
sottoscrivere + ondertekenen, onderschrijven
dipingere + schilderen [kunst]
disegnare tekenen; ontwerpen
ritrarre *+ portretteren, afbeelden; intrekken
migliorare verbeteren
peggiorare verslechteren
frenare remmen [let. + fig.]
rallentare vertragen, afremmen
accelerare versnellen
(ri)tardare ophouden, uitstellen, vertragen, vertraagd zijn
rinviare terugsturen; uitstellen
rimandare terugsturen, opnieuw sturen; uitstellen
posporre *+ uitstellen, opschorten
posticipare <- uitstellen, opschorten
sospendere + ophangen; schorsen
sudare zweten
evidenziare benadrukken [figuurlijk]
sottolineare <- benadrukken, onderstrepen
enfatizzare beklemtonen, benadrukken [vooral letterlijk]
raccogliere *+ oprapen; plukken, oogsten; verzamelen
consumare verbruiken, nuttigen, consumeren
giungere + (aan)komen, bereiken; bijeenbrengen
pervenire (a) *+ aankomen, bereiken
accogliere *+ verwelkomen, ontvangen; inwilligen; plaats bieden aan
collegare verbinden, aansluiten, koppelen
nascere + geboren worden, ontspringen, voortkomen
volgere + (om)keren, buigen, komen tot
rovesciare omverwerpen [let. + fig.]; morsen
fregare wrijven, schuren; belazeren; jatten
coprire + bedekken
fingere + doen alsof, veinzen
simulare <- simuleren, doen alsof, veinzen
onorare eren
festeggiare (feest) vieren
partecipare <- deelnemen, meedoen
tradire # verraden, bedriegen, vreemdgaan
rispettare respecteren, eerbiedigen
preparare voorbereiden, klaarmaken
sanguinare <- bloeden
pregare bidden, smeken
impiegare tewerkstellen; doorbrengen, besteden [tijd]; nodig hebben [tijd]
considerare <- overwegen, afwegen
mollare opgeven, loslaten, dumpen
attirare aantrekken, lokken
attrarre *+ aantrekken, lokken
spiare (be)spioneren, gluren
sbirciare gluren, loeren
inventare uitvinden, verzinnen
assicurare verzekeren
garantire # garanderen
caricare <- laden, inladen, opladen, opwinden, uploaden
scaricare uitladen, ontladen, downloaden
convincere + overtuigen
persuadere +E overtuigen
dissuadere +E afraden, ontraden
indurre *+ opwekken, aanzetten/bewegen tot, veroorzaken

Italiaanse werkwoorden (deel 10)
Italiaans Nederlands
esplorare verkennen, onderzoeken
infettare besmetten, aansteken, infecteren
maturare rijpen
affidare toevertrouwen
confidare toevertrouwen
insistere aandringen (op), aanhouden, volhouden
stringere + strakker maken, stevig vasthouden, knellen [breed let. en fig. gebruik]
benedire + zegenen
maledire + vervloeken
riguardare <- betreffen, aangaan, gaan over; opnieuw bekijken
concernere +(-) betreffen, aangaan, gaan over
digitare <- (in)typen
vibrare trillen; toebrengen, uitdelen [slag/klap]
pendere hangen; (over)hellen
appendere + ophangen
inclinare (over)hellen, kantelen, neigen
tendere + (aan)spannen, strekken, uitsteken; streven, neigen
mirare (a) mikken/richten (op), streven (naar)
intervenire *+ ingrijpen; deelnemen
svenire *+ flauwvallen
sospettare verdenken, vermoeden
corrispondere + beantwoorden [liefde]; (uit)betalen; overeenstemmen; briefwisseling voeren
afferrare grijpen, vastpakken; begrijpen, snappen
frequentare omgaan/optrekken met; vaak bezoeken; gaan naar, zitten in/op [school]
fondare stichten, oprichten; baseren, funderen, gronden
annullare tenietdoen, afzeggen, annuleren
cancellare wissen, schrappen, afzeggen
infliggere + opleggen, toebrengen, veroorzaken
avviare opstarten
elaborare <- uitwerken, verwerken
vomitare <- braken, overgeven, kotsen
macchiare bevlekken, besmeuren
rimediare herstellen, verhelpen; regelen, voor elkaar krijgen
recuperare <- herstellen, terugkrijgen, terugvinden, inhalen
dedicare (a) <- toewijden, opdragen
trascurare verwaarlozen
aggiornare bijwerken, actualiseren; verdagen
promuovere + bevorderen, promoten; opzetten, beginnen [rechtszaak, actie]
incoraggiare aanmoedigen, aansporen
esortare aansporen, aanmanen
annunciare aankondigen
comportare met zich meebrengen, inhouden
vendicare <- wreken, vergelden
sommare optellen
mendicare <- bedelen
elemosinare <- bedelen
smarrire # kwijtraken, verliezen, zoekmaken
ereditare <- erven
bussare (aan)kloppen
comandare bevelen, commanderen, aanvoeren
trafugare verduisteren, ontvreemden
coinvolgere + betrekken (in/bij), verwikkelen (in)
fondere + smelten; samenvoegen
appartenere (a) *E toebehoren, horen bij
scioperare <- staken
conciliare verzoenen
soddisfare voldoen (aan), bevredigen [o.a. sexueel]
(ac)contentare tevredenstellen
compiacere *E plezieren
passare voorbijgaan, passeren, slagen; doorbrengen [tijd]; doorgeven, aangeven

Italiaanse wederkerende ww.
Italiaans Nederlands
sentirsi zich voelen
sedersi * gaan zitten
chiamarsi heten
aspettarsi verwachten
attendersi + verwachten [meer formeel]
alzarsi opstaan
divertirsi zich vermaken
innamorarsi verliefd worden
farsi male *+ zich pijn doen
lavarsi zich wassen
farsi una doccia *+ zich douchen
bagnarsi nat worden, (zich) baden
farsi un bagno *+ zich baden, een bad nemen
vestirsi zich (aan)kleden
spogliarsi zich uitkleden
addormentarsi in slaap vallen
svegliarsi wakker worden
arrabbiarsi boos worden
laurearsi <- afstuderen, diploma behalen
preoccuparsi <- zich zorgen maken, piekeren
sbagliarsi zich vergissen
incontrarsi (elkaar) ontmoeten
sposarsi trouwen
riposarsi (uit)rusten
truccarsi zich opmaken [make-up gebruiken]
pettinarsi <- zich (haar) kammen
asciugarsi zich afdrogen
radersi + zich scheren
farsi la barba *+ zich scheren [baard]
annoiarsi zich vervelen
allontanarsi weggaan, afstand nemen, afwijken
trovarsi zich bevinden
permettersi + zich veroorloven
fidarsi vertrouwen
trasferirsi # verhuizen [persoon]
ripararsi schuilen
tuffarsi duiken
immergersi + duiken, zich onderdompelen
lamentarsi klagen
lagnarsi klagen
travestirsi zich vermommen/verkleden
perdersi + verdwalen
affrettarsi zich haasten
sbrigarsi zich haasten
soffiarsi (il naso) (neus) snuiten
abbuffarsi zich volproppen, schransen
occuparsi <- zich bezighouden (met), zorg dragen (voor)
comportarsi zich gedragen
ostinarsi volhouden
spaventarsi schrikken, bang worden
accorgersi + (be)merken
ammalarsi ziek worden
fermarsi stoppen
accontentarsi zich tevredenstellen
vergognarsi zich schamen
abituarsi wennen
rompersi + breken [gebroken raken]
sorprendersi + verbaasd/verrast zijn
commuoversi + ontroerd zijn
pentirsi spijt/berouw hebben