Algemene woordenlijst - elenco generale di parole

QUIZZEN: woorden Italiaans-Nederlands deel 1 of deel 2 of deel 3
QUIZZEN: woorden Nederlands-Italiaans deel 1 of deel 2 of deel 3
In de woordenlijsten worden geslacht en meervoud aangegeven indien afwijkend van de richtlijnen op de pagina over het zelfstandig naamwoord.

Algemene woordenlijst
Italiaans Nederlands
mondo wereld
terra aarde
sole (m) zon
luna maan
stella ster
pianeta (m) planeet
spazio ruimte
esistenza bestaan
vita leven
morte (f) dood
amore (m) liefde
odio haat
animale (m) dier
spirito geest
mente (f) verstand
ogni elk(e), ieder(e)
libro boek
giornale (m) krant
lettera brief, letter
regalo geschenk
carta kaart, papier
denaro geld
soldi (m-pl) geld
lingua taal, tong
parola woord
frase (f) zin [taalkunde]
testo tekst
conversazione gesprek
poema (m) gedicht
arte (f) kunst
bellezza schoonheid
pace (f) vrede
libertà vrijheid
verità waarheid
realtà werkelijkheid
salute (f) gezondheid
malattia ziekte
speranza hoop
fiducia vertrouwen
conoscenza kennis
problema (m) probleem
soluzione oplossing
idea (f) idee
concetto concept
futuro toekomst
passato verleden
presente (m) heden, tegenwoordige tijd; aanwezige; geschenk
presenza aanwezigheid
assenza afwezigheid
mezzo middel; midden
fine (m) doel(einde); einde [vaak vrouwelijk]
finalità doeleinde
obiettivo doel, doelstelling
scopo doel, doelstelling
intenzione bedoeling, intentie
intento bedoeling, intentie
destinazione bestemming
situazione situatie
stato toestand, staat, status
condizione toestand; voorwaarde
circostanza omstandigheid
ubicazione ligging, locatie, plaats
ragione rede; reden
causa oorzaak; zaak
conseguenza gevolg
seguito vervolg
motivo aanleiding, motief, beweegreden
risultato resultaat
effetto effect
successo succes [ook: hit; als volt.dw.: gebeurd]
fila rij
serie (f) reeks, serie
sequenza reeks
ordine (m) orde; volgorde; bevel
successione volgorde; opvolging
caos (m) chaos
origine (f) oorsprong
provenienza herkomst
qualità kwaliteit
quantità kwantiteit, hoeveelheid
opportunità kans, gelegenheid
possibilità mogelijkheid
occasione gelegenheid [ook: koopje]
utilità nut
vantaggio voordeel, voorsprong
svantaggio nadeel, achterstand
coscienza bewustzijn; geweten
consapevolezza bewustzijn
energia energie
forza kracht
potenza kracht, macht
potere (m) macht
violenza geweld
principio principe, beginsel; begin
caratteristica kenmerk
proprietà eigenschap; eigendom [ook: correctheid]
tecnica techniek
tecnologia technologie
teoria theorie
pratica praktijk; oefening
informazione informatie
dati (m-pl) gegevens
parte (f) deel, gedeelte, onderdeel
attualità actualiteit
prosperità welvaart, voorspoed
benessere (m) welzijn
atto daad [ook: akte]
fatto feit [als volt.dw.: gedaan]
azione actie [ook: aandeel [handel]]
eternità eeuwigheid
varietà verscheidenheid; variëteit, soort, ras
diversità verscheidenheid, diversiteit
unità eenheid
responsabilità verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid
indipendenza onafhankelijkheid
fortuna geluk, fortuin
sfortuna ongeluk, tegenspoed, pech
avversità tegenspoed, tegenslag
guerra oorlog
scienza wetenschap
sicurezza veiligheid; zekerheid; beveiliging
affidabilità betrouwbaarheid
relazione relatie, verhouding; verslag
rapporto relatie, verhouding; verslag
ambiente (m) milieu, omgeving
istituzione instelling, oprichting, institutie
cultura cultuur
politica politiek; beleid
economia economie [ook: zuinigheid]
storia geschiedenis; verhaal
filosofia filosofie
diritto recht [ook bijv.nw en bijw.]
giustizia gerechtigheid, rechtvaardigheid
giurisprudenza rechtspraak, jurisprudentie
processo proces; rechtszaak
legge (f) wet
necessità noodzaak, behoefte
servizio dienst, service, bediening
prestazione prestatie [ook in economische zin]
rilassamento ontspanning
relax ontspanning
turismo toerisme
agricoltura landbouw
povertà armoede
indigenza (extreme) armoede, behoeftigheid
ricchezza rijkdom
cosa ding
roba spul, spullen, goed
affare zaak, aangelegenheid, deal [ook: koopje]
oggetto voorwerp, object
soggetto onderwerp
argomento onderwerp; argument
generazione generatie
contrasto tegenstelling, contrast
contraddizione tegenspraak, tegenstrijdigheid
contenuto inhoud; gehalte [als bijv.nw.: ingehouden]
sostanza substantie, stof; inhoud, essentie
materia stof, materie [ook figuurlijk]
sviluppo ontwikkeling
formazione vorming, formatie, opleiding
istruzione onderwijs, opleiding, instructie
educazione educatie, opvoeding
insegnamento onderwijs, les
lezione les